Eén monnik, twee monniken...
welke regel zat daar ook weer achter?
Woorden met een onbenadrukte
eindlettergreep op -ik (en trouwens ook op -el,
-es en -et) krijgen in het meervoud géén verdubbelde
eindmedeklinker.
Dus: slechteriken
– frikken; engelen – lellebellen; dreumesen
– prinsessen; lemmeten – korte metten. Maar:
-ik zou -ik niet zijn als er geen uitzonderingen
bestonden. Wat te denken van die hospik en z’n collega-hospikken?